Senior Live

Aanmelden nieuwsbrief

Kinderen een kwartje… WILL’S HOEKJE

Posted by
/ /

“Bij elkaar blijven en niet met vreemde mensen mee gaan”, drukten onze moeders ons op het hart. We kregen beiden een kwartje die we stevig in onze handen vastklemden, goed voor één ritje in een van de kermisattracties. Met glinsterende ogen en een blos van opwinding gingen mijn vriendin en ik op pad. Het was de eerste keer dat we alleen naar de kermis mochten, dus dubbel spannend. Hand in hand huppelden we over de Dorpsstraat. We waren niet ouder dan tien jaar en ons speelterrein strekte zich uit van de spoorbómen (met de klemtoon op bomen, op z’n Zaans) en het eerste bruggetje van Assendelft. Nu mochten we helemaal alleen naar de kermis in Krommenie die ver over de spoorbómen en nog een heel stuk voorbij onze school, de St. Janschool, was.

Huppelend gingen we langs het hotel, de snackbar en onze school. Mijn vriendin bleef stilstaan, stak een vinger in de lucht en zei “Stil eens, hoor jij dat ook?” Flarden van kermis geluiden kwamen ons tegemoet. We slaakten kreetjes van opwinding en holden verder. Plotseling bleven we allebei stilstaan en zogen allebei onze adem naar binnen. Want daar, op het bruggetje bij de drogisterij zaten de jongens van de Zwart, een van hen met een aapje op de schouder. Iedereen in het dorp wist het: het waren slechte jongens en ze waren ook niet Katholiek. Je moest uit hun buurt blijven. Het hoe en waarom wisten we niet. Ze hadden een week daarvoor gevochten met onze hoofdmeester op het schoolplein waar ze niet eens mochten komen want ze waren al heel groot, misschien al wel zestien.

Mijn vriendin begon te bibberen en te huilen en trok mij terug in een portiek maar een van de jongens had ons al gezien. “Kom”, zei ik “we rennen er hard voorbij”. “Nee ik durf niet”, zei mijn vriendin en tegelijk rukte zij zich los en nam de kuierlatten, mij verbluft achterlatend. Wat moest ik nu doen? Het kwartje in mijn hand brandde, ik wilde naar de kermis maar mijn geweten zei dat ik achter m’n vriendin aan moest gaan. Weer hoorde ik de muziekflarden van de kermis, ze riepen ‘Willy, kom naar de kermis’. Voorzichtig keek ik om een hoekje en gelukkig zaten de jongens er niet meer. Hard hollend rende ik de brug over en zag ze vanuit mijn ooghoek op het pad van hun huis staan. Ik keek niet meer op of om en rende voorbij de fietsenwinkel en de bioscoop op weg naar de kermis.

Eenmaal daaraan gekomen liep ik in pure verrukking van de ene naar de andere attractie en kon maar niet besluiten waar ik in zou gaan want je kon maar in één ding voor een kwartje. Ik keek naar de rups waar juist de kap dichtging over de hoofden van de mensen die erin zaten. Traag zette de rups zich in beweging om vervolgens steeds meer snelheid te maken. Ik draaide me om en botste bijna tegen de jongens van de Zwart aan. Geschrokken en bang keek ik ze aan. De grootste zei: “Weet je moeder dat je alleen op de kermis bent?” “Nnneeee”, stamelde ik bibberend terwijl ik snel mijn hand met het kwartje erin, achter mijn rug verstopte. “Wat verstop je daar?” vroeg de andere jongen. “Niks”, probeerde ik dapper. “Jawel, laat zien” en hij pakte mijn arm beet en sommeerde mij mijn hand open te doen. Het kwartje rolde op de grond, hij pakte het op en stak het in zijn zak. “Dat is van mij”, riep ik huilend. “Maak dat je wegkomt”, riepen ze en maakten dreigende bewegingen naar mij.

Half huilend maakte ik dat ik wegkwam. Ik durfde niet meer langs hun huis te gaan en rende in het wilde weg de verkeerde kant op. Zonder op of om te kijken rende ik blindelings door en durfde pas te stoppen toen ik zeker wist dat ze niet achter me aan kwamen. Ik had geen idee waar ik was en liep, langzamer nu, op goed geluk door. Ik had naar mijn gevoel al heel lang gelopen en werd wanhopig. Ik moest de weg naar huis vinden maar was hier nog nooit geweest. Uitgeput, wanhopig en verdrietig zakte ik op een stoepje neer. “Ik kom nooit meer thuis”, snikte ik….

Na verloop van tijd stopte er een fiets naast me en een vriendelijke mevrouw vroeg wat er aan de hand was. Met horten en stoten vertelde ik haar dat ik verdwaald was. “Waar woon je dan?”, vroeg de mevrouw. Ik noemde de straatnaam en zei dat het over de spoorbómen was en zij zei: “Spring maar achterop bij mij dan breng ik je even thuis”. Achterop de fiets kwam ik weer bij zinnen en dacht: “Zo gauw ik bekend terrein zie moet ik maken dat ik wegkom want als moeder ziet dat ik met een vreemde ben meegegaan dan krijg ik met de mattenklopper!”

Eenmaal in onze straat aangekomen zag ik mijn kans schoon. De mevrouw vertraagde het tempo van fietsen en vroeg: “Waar is het precies?” Ik sprong van de fiets af en zonder boe of ba te zegggen rende ik een steeg in. Ik hoorde haar nog roepen en verstopte me in een hegje en wachtte tot ik niks meer hoorde. Voorzichtig kwam ik uit de heg, keek nog even de straat in en zag nog net de mevrouw wegfietsen. Snel ging in naar huis. Toen ik binnenkwam zaten mijn kleine broertjes met hun autootjes te spelen, ze keken niet eens op. Moeder was druk bezig met de kleinste van anderhalf, ze was moe en “liep op alle dagen” van broertje of zusje nummer 11. Niemand had in de gaten wat een verschrikkelijk traumatische middag ik had gehad.